Zondag 15-08-1999 19.00 uur

The Citadel - Kandy

Eindelijk weer eens tijd om te schrijven. Het zal wel weer een lamme hand worden, want er is weer veel gebeurd.
Allereerst nog even vertellen dat ze in de tuinen van het vorige hotel (het was opgezet als een soort dorp met gebouwen van 2 of 4 kamers) wat dieren hadden lopen: pony’s, eekhoorns en apen. De apen zaten een keer heel dicht bij onze kamer en we hebben wat mooie plaatjes kunnen schieten. Maar we moesten wel uitkijken voor de poep, want apen moeten blijkbaar ook hun behoefte doen. De eekhoorns waren zo brutaal dat ze zelfs op de eettafels sprongen als je opstond om weg te gaan.
Vrijdagmiddag gingen we dus naar de Sigiriya rots. Een hele hoge rots. Hier heeft een paleis gestaan. Eén van de zonen van de koning wilde de schat hebben, maar kon deze niet vinden. Op een gegeven moment vroeg hij ernaar bij zijn vader. Deze nam een hand water uit een reservoir dat hij had laten bouwen en zei: “Dit is mijn schat voor Sri Lanka.” De zoon werd kwaad en liet zijn vader inmetselen. Hij riep zichzelf tot koning uit. Hij was echter wel bang dat zijn broer, de andere prins, hem zou doden en dus bouwde hij een paleis boven op deze rots. Na 18 jaar kwam zijn broer inderdaad met een leger naar het paleis en de koning besloot (heel erg dom) van de rots te komen voor een veldslag. Toen hij zag dat jij ging verliezen, pleegde hij zelfmoord. Het paleis werd afgebroken en de rots werd teruggegeven aan de monniken die er hun klooster hadden. Deze monniken hebben helaas veel fresco’s uit de tijd van de koning vernield, omdat het halfnaakte meisjes waren: de wolkenmeisjes. Nu zijn er nog maar een paar van over.
De tocht naar de top begon met grote trappen met hele onregelmatige treden van steen. Dat matte me behoorlijk af. Vervolgens een gedeelte ijzeren trappen met een wenteltrap naar de wolkenmeisjes. Een smalle en vrij hoge trap waar iedereen omhoog, maar ook weer naar beneden moest. Dat was dringen, want het was erg druk. Vooral op de terugweg scheet ik bagger, want die wenteltrap zit halverwege de rots. Ik heb geen last van hoogtevrees, maar daar op die trap kreeg ik dat bijna spontaan. Maar de fresco’s van de wolkenmeisjes waren zeer de moeite waard. Heel erg mooi.
Verder ging het langs de “spiegelmuur”. Een glanzende muur waarin je jezelf kunt zien (zo’n beetje). Nog meer trappen (van steen) en een ijzeren plateau aan de zijkant van de rots waar de wind je om de oren floot. En nog steeds veel mensen voor zowel heen als terug. Heel erg eng. We kwamen bij de vroegere ingang naar het kasteel. Een trap tussen twee leeuwenpoten. En vanaf daar nog vele ijzeren trappen naar de top. Dat zag ik niet zitten. Dus Henk ging samen met de gids het uitzicht en de restanten van het paleiscomplex bekijken. Ik ging alweer langzaam een groot deel naar beneden. Na zo’n half uur waren ze alweer terug en we gingen via een andere weg verder naar beneden. Daar zagen we nog veel overblijfselen van vroeger en de “Cobra”-rots. Een natuurlijke rots in de vorm van een rechtopzittende Cobra. Heel indrukwekkend.
Vanaf Sigiriya terug naar het hotel zagen we weer een wilde olifant. Heel in de verte, maar Henk kon hem met de video behoorlijk dichtbij halen. Deze keer was het namelijk nog licht.
Zaterdagmorgen in het hotel was de “gekke vrolijke kok” er weer. Henk zei dat zijn gezicht helemaal opklaarde toen hij mij zag. Ik zal het even uitleggen, voor zover ik dat kan. Blijkbaar zijn de meeste toeristen in de hotels tegen het personeel niet zo vrolijk. Ik ben wel altijd heel vriendelijk en ook geduldig. En ik houd van lekker eten. De eerste avond in dit hotel was er een gerecht op (er is altijd buffet) en ik wilde dat net nemen. De kok zag mijn teleurgestelde gezicht en tikte op mijn schouder. Hij kon geen woord Engels en ik spreek de taal van Sri Lanka niet, dus het was wat moeilijk communiceren. Maar we bleven beiden vriendelijk en deden ons best en dat stond hem blijkbaar wel aan. Hij ging dus nog snel het gerecht voor mij maken en daar was ik natuurlijk weer heel erg dankbaar voor. We hadden elkaar dus gevonden. De volgende dag bij het ontbijt was hij er weer en we begroeten elkaar. Met handen, voeten en onverstaanbare woorden begreep hij dat Henk mijn kersverse man is. Hij begeleidde ons helemaal bij het verzamelen van het ontbijt. Als we iets wilden pakken dat naar zijn zin niet vers genoeg meer was, dan haalde hij het voor ons uit de keuken. Iedere keer als we hem zien, dan legt hij alles van het eten uit en maakt ondertussen grapjes. Ik leer wat woordjes en hij leert wat Engels en het is echt hartstikke gaaf. Verder met de reis.
Om 8.00 uur gingen we op weg naar Dambula, naar de rotstempels, evenals de andere mensen in het hotel. Al na zo’n uur rijden waren we er. Weer klimmen (trappen en/of schuin omhoog lopende paden), maar niet zo ver als bij Sigiriya. En de trappen waren hier breed. Schoenen weer uit en het tempelterrein op. De eerste rotstempel was klein en bevatte een liggende Boeddha uit de Anuradhapura-periode (gesloten ogen en slank gezicht). De tweede tempel is de grootste met ook een liggende Boeddha en heel veel mediterende Boeddha’s. Allemaal uit de Kandy-periode (open ogen en een boller gezicht). Het plafond en de muren zijn helemaal beschilderd. Dat moet heel moeilijk geweest zijn, omdat de rotswanden niet egaal zijn. Heel erg indrukwekkend allemaal. Helaas mag je in de tempels geen foto’s maken. De derde grottempel was weer iets kleiner, maar verder bijna hetzelfde. En de laatste is een stuk kleiner. Het uitzicht vanaf het tempelcomplex is erg mooi. Er waren veel lokale mensen (voornamelijk vrouwen) met offerandes: bloemen en kokosnootrijst. Ook Dambula heeft weer indruk gemaakt op ons.
De reis ging verder, op weg naar Kandy. Het landschap veranderde ook. Van droge vlaktes naar groene bossen. Onderweg kregen we een demonstratie van wat ze met alle delen van de kokosnoot doen. De buitenste schil bevat vezels en deze worden ervan af geschraapt. Vervolgens wordt het als een baal wol bij elkaar geschraapt en “spinnen” ze een touw. Op een ingenieuze manier kunnen ze van twee dunne touwen weer een dikker touw maken, enzovoorts. Tot je een behoorlijke dikke kabel hebt die heel stevig is. De binnenschelp wordt in tweeën gehakt. Het sap wordt gebruikt om olie van te maken. Het vruchtvlees wordt eruit geschraapt om kokosmelk te maken. Hierin kan eten worden bereid. Van de uitgeholde helften maken ze kommetjes e.d. Zelfs de bladeren van de palm worden gebruikt, om dakbedekking en manden van te vlechten. Er wordt niets weggegooid. Dat wisten we al, maar we hadden het nog nooit gezien.
Morgen hebben we als het goed is de hele middag vrij, dus dan hoop ik de rest helemaal te kunnen bijwerken.

Naar boven